Bronmaatregelen

Technisch

Uitgangspunten om fysieke belasting bij zittend of staand werk te verminderen  
Bij zittend werk gelden de volgende uitgangspunten:

  • Vrije beenruimte: breed 60 / diep 65 cm, voetruimte: diep 80 cm;
  • Hoogte vaste werktafel: 74 tot 76 cm (bovenzijde werkblad);
  • In hoogte verstelbare werktafel of een vaste werktafel (met bijvoorbeeld klossen onder tafelpoten of voetensteun passend gemaakt).

Ergonomische uitgangspunten bij staand werk:

  • Staand werk moet zoveel mogelijk worden afgewisseld door andere werkzaamheden als zitten en lopen. Bij voorkeur niet meer dan 1 uur achtereen en maximaal 4 uur per dag.
  • Het staand bedienen van pedalen moet voorkomen worden omdat het lichaamsgewicht hierbij door één been wordt gedragen.
  • Veel voorkomende werkzaamheden bij staand werk worden bij voorkeur uitgevoerd rond de ellebooghoogte.

Bepalen van optimale werkhoogte voor mensen met verschillende lengte 
Als aan een transportband voor langere tijd wordt gewerkt dan wordt een aan de medewerker aangepaste werkhoogte aanbevolen. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door de band in hoogte op te laten lopen van 62 naar 82 cm voor zittend werk en 92 tot 112 cm voor staand werk of door middel van een verstelbare werkhoogte.

Als er een vaste hoogte aanwezig is dan wordt gekeken naar de populatie medewerkers (alleen mannen, wel/geen veel verschillende lengtes, mannen en vrouwen) om de optimale werkhoogte te bepalen. Voor het werken met populaties kan de zogenaamde dined tabel gebruikt worden, zie http://dined.io.tudelft.nl/en,dined2004.

In onderstaande tabel is voor een aantal categorieën werkzaamheden de aanbevolen werkhoogte aangegeven.

De werkhoogte bestaat uit de tafelhoogte vermeerderd met de hoogte van het te bewerken object; de plaats waar de handen zich bevinden is maatgevend.

Binnen de mogelijkheden van een arbeidsplaats, moet knielen en hurken zoveel mogelijk worden voorkomen. Als frequent geknield en gehurkt moet worden, dan dient de werkhoogte van de werkplek aangepast te worden.

Keuze tussen zit- of stawerkplek om staand werk te reduceren
In principe heeft zittend werk de voorkeur. In een zittende werkhouding zijn er mogelijkheden om het lichaam optimaal te ondersteunen, bijvoorbeeld door middel van de rugleuning of de armsteunen van een stoel. Ook bij zitten is het belangrijk dat bijtijds wordt afgewisseld om langdurige statische werkhoudingen te voorkomen. Daarnaast heeft zittend werk nog enkele nadelen bijvoorbeeld zitten en opstaan kost extra energie, grote krachtsinspanningen worden minder gemakkelijk uitgevoerd en het hanteren van grote objecten is moeilijk.

Om een verantwoorde keuze te maken tussen een zitwerkplek, stawerkplek, stasteunwerkplek of zitstawerkplek moet eerst een taakanalyse zijn uitgevoerd. In bijlage 9 is een keuzeschema toegevoegd.

Bepaal het aanbevolen tilgewicht
Aan de hand van de NIOSH-methode kan worden berekend hoeveel kilogram in een bepaalde situatie mag worden getild zonder gezondheidsrisico te lopen. Dit wordt ook wel het aanbevolen gewicht genoemd. Wanneer het aanbevolen gewicht lager ligt dan het gewicht dat daadwerkelijk wordt getild bestaat er een risico op gezondheidsschade en moet gezocht worden naar mogelijkheden om het tilgewicht te verlagen.

De NIOSH-methode gaat o.a. uit van horizontale en verticale aspecten van het tillen. De inrichting van de arbeidsplaats is mede bepalend voor de tilbewegingen die gemaakt moeten worden. Zie ook bijlage 2. Aanvullende informatie over het onderwerp tilgewicht wordt behandeld in de arbocatalogus Fysieke belasting.

Toegang en vluchtwegen afgestemd op gebruikers
Loop- en transportroutes moeten afgestemd zijn op het gebruik door voetgangers en transportmiddelen*. Voor transportroutes gelden o.a. de volgende algemene aandachtspunten:

  • Voldoende breedte (minimaal 60 cm breder dan het breedst beladen voertuig bij eenrichtingverkeer; dit is minimaal 90 cm bij tweerichtingsverkeer).
  • Effen en vlakke vloer, voorzien van een stroef en slijtvast oppervlak. Voor natte vloeren moeten maatregelen genomen worden om valrisico’s te minimaliseren. Indien vloeren structureel nat zijn kan gewerkt worden met bijvoorbeeld antislip matten; voor een vloer die slechts incidenteel nat is kan een tijdelijke afzetting of een waarschuwingsbord afdoende zijn.
  • Hoeken en kruisingen zijn afgerond; onoverzichtelijke hoeken zijn voor zover mogelijk voorzien van (bol)spiegels, waarschuwingsborden of strepen.
  • Vrijgehouden van obstakels.

* voor verdere informatie zie catalogus ‘intern transport’

Vluchtroutes en nooduitgangen inrichten 
Bij calamiteiten is het noodzakelijk dat werknemers zich via de kortst mogelijke weg in veiligheid kunnen stellen. Vooral rookontwikkeling bij brand en paniek in noodsituaties kunnen het ontvluchten bemoeilijken. Daarom moeten voldoende vluchtwegen en nooduitgangen aanwezig zijn.

Aan de hand van de brandbeveiligingsconcepten en voorschriften uit het bouwbesluit moeten concrete maatregelen genomen worden, zoals een gedegen bezoekersregistratie en duidelijke signalering van vluchtwegen en nooduitgangen. Bij de bouw of inrichting van een gebouw moet vooraf het bouwbesluit geraadpleegd worden zodat aan eisen die gesteld zijn voor noodroutes, noodverlichting en compartimentering voor rook en brand wordt voldaan. Bij bestaande gebouwen worden deze eisen naar redelijkheid toegepast.

Elektrotechnische inrichting
Elektriciteit brengt risico’s zoals elektrocutie, verbranding door vlamboog maar ook brand- en explosiegevaar met zich mee. NEN 1010 en NEN 3140 zijn Nederlandse normen op elektrotechnisch gebied. Deze normen bevatten de minimum veiligheidseisen voor veilig ontwerp en gebruik van laagspanningsinstallaties. In de utiliteitsbouw en de industrie moet aan deze normen worden voldaan.

Voldoen aan eisen kantoorruimte
Enkele voorbeelden van eisen die vanuit het bouwbesluit gelden voor een nieuwe kantoorruimte:

  • Minimale afmeting van een ruimte: B 1,80 m x H 2,60 m
  • Raamoppervlak: minimaal 2,5% van het vloeroppervlak (> 0,5 m²)
  • Luchtcirculatie: minimaal 1,3 dm/s per m² (=4,68 m³/uur per m²)

De norm NEN 1824 bevat minimumeisen voor de vloeroppervlakte van kantoren. Dit is de som van de ruimte die voor de medewerkers, het meubilair (NPR 1813), de apparatuur, de kasten en de vergadervoorziening nodig is. Deze norm is een minimumnorm waarin efficiencyverlies van vloeroppervlak niet is opgenomen. Efficiencyverlies kan bijvoorbeeld optreden door het type bureau, de positie van ramen, verlichting en/of door ventilatie-roosters. In onderstaande tabel is een samenvatting gegeven van NEN 1824. De oppervlakten worden gemeten conform NEN 2580; 1997.

De minimum oppervlakte voor overig meubilair en apparatuur is de eigen oppervlakte inclusief gebruiksoppervlakte. Minimumoppervlakte voor een toegangsdeur bedraagt 1 m2 per deur. Een overzicht van enkele normen die tijdens bouw en inrichting van een werkplek van belang kunnen zijn is opgenomen als bijlage 3.

Organisatorisch

Een goed ingerichte werkplek werkt veiliger en efficiënter
Een goede inrichting van bedrijfsruimten en bevordert een optimale organisatie van het werk. Een verkeersplan, zoals in de arbocatalogus Intern transport toegelicht wordt, kan helpen om de inrichting te verbeteren. Aandacht voor orde en netheid levert naast efficiencyvoordelen ook een bijdrage aan een veiligere werkplek. Geadviseerd wordt om bijvoorbeeld een 5s-programma te gebruikten om orde en netheid blijvend in een organisatie te krijgen.

Aandachtspunten voor het verminderen of voorkomen van belastende tilsituaties:

  • Inventariseer het logistieke proces en de opslag in de magazijnen op knelpunten. Leg zware en/of veelgebruikte producten zoveel mogelijk op grijphoogte (± 75 cm) in de stelling en plaats ze vooraan, zodat niet wordt gereikt.
  • Beperk de magazijnvoorraad door procesverbeteringen door te voeren. Hierdoor kan het aantal te tillen producten dalen. Door het ontstaan van meer (bewegings)ruimte wordt het mogelijk de tilhoogte en tilafstand te beperken.
  • Beperk de loopafstanden door een efficiënte opslag van producten.
  • Mechaniseer (indien mogelijk) het distributieproces
  • Zorg ervoor dat te tillen producten zowel aan het begin als aan het eind van de tilhandeling op grijphoogte liggen of in ieder geval zoveel mogelijk op dezelfde hoogte.
  • Om de tilhoogtes en draagafstanden te optimaliseren kunnen verschillende hulpmiddelen worden gebruikt. Een overzicht hiervan staat in bijlage 2, Tillen en dragen.
  • Bepaal, samen met de medewerkers en na gebruikerstesten, welke hulpmiddelen het meest geschikt zijn.

Gebruik goed onderhouden technische hulpmiddelen 
Het is naast het beschikbaar stellen van de juiste middelen, belangrijk om deze middelen op correcte wijze op te stellen, te gebruiken en te onderhouden. Correct gebruik van goed onderhouden hulpmiddelen kan de lichamelijke belasting van medewerkers verminderen of zelfs voorkomen worden.

Veilige opslag in magazijnen
De opslag van grondstoffen en materialen gebeurt in magazijnen, waar gewerkt wordt met transportmiddelen die dagelijks de aan- en afvoer verzorgen. In zo’n magazijn is een voetganger kwetsbaar omdat met heftrucks gewerkt wordt in een omgeving die donker of onoverzichtelijk kan zijn. Veilige opslag en stapelen begint met duidelijke afspraken in het magazijn over stuwpatronen (manier waarop gestapeld wordt), stuwhoogten en de maximale belasting van stellingen. Opslagstellingen moeten periodiek geïnspecteerd worden op bijvoorbeeld aanrijdschade zodat er tijdig gerepareerd kan worden.

Verlichting is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden 
Verder draagt voldoende verlichting bij aan een goed ingerichte arbeidsplaats. Bij kantoren wordt bijvoorbeeld 500 lux geadviseerd voor schrijven, beeldschermwerk en lezen terwijl voor gangen 100 lux en voor trappen 150 lux nodig is. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de praktijkverlichtingssterkten.

Opmerkingen

Overige (algemene) werkplekaspecten zijn:

  • Geen scherpe randen aan meubilair;
  • Geen losliggende kabels en snoeren (en niet doorlussen);
  • Markering van glazen wanden en deuren op ooghoogte;
  • (Klap)deuren gedeeltelijk transparant uitgevoerd;
  • Schuifdeuren beveiligd tegen uit de rails lopen;
  • Automatische deuren zonder knel- of stootgevaar;
  • Ramen die in geopende stand geen stootgevaar opleveren en zonder gevaar kunnen worden gereinigd;
  • Regelmatige inspecties, onderhoud en inregelen van apparatuur en installaties.